• Uitspraak van: Vredegerecht Antwerpen
  • Datum van de uitspraak: 30/01/2014
  • Publicatie: RW 2014-15, P. 33
  • Onderwerp: Handelshuur beëindiging in onderling akkoord

Samenvatting:

Art. 3, vierde lid Handelshuurwet stelt de partijen bij een handelshuurcontract op elk ogenblik de handelshuur kunnen beëindigen, op voorwaarde dat hun akkoord wordt vastgesteld bij een authentieke akte of bij een verklaring voor de rechter afgelegd. Deze vormvereiste is enkel voorgeschreven in het voordeel van de huurder, zodat de huurder van deze formaliteiten kan afzien.


Vredegerecht te Antwerpen

NV W.H. t/ BVBA A.

1.In 2009 werd een handelshuurovereenkomst gesloten tussen de NV W.H. (hierna: W.) als verhuurder en de BVBA A. (hierna: A.) als huurder met betrekking tot de commerciële ruimte (...) te Antwerpen. Naar W. aanvoert, werd tussen partijen op 24 november 2013 een overeenkomst tot minnelijke beëindiging van deze handelshuur gesloten waarin werd bepaald dat op 28 november 2013 een einde werd gemaakt aan de handelshuur. In deze overeenkomst werd ook bepaald dat beide partijen hun medewerking zouden verlenen aan het officialiseren van dit akkoord overeenkomstig de bepalingen van art. 3, vierde lid Handelshuurwet.

In aansluiting hierop heeft W. deze overeenkomst voorgelegd aan het vredegerecht met het verzoek A. op te roepen, zodat beide partijen voormelde minnelijke beëindigingsovereenkomst zouden kunnen bevestigen voor de vrederechter op grond van voornoemd artikel van de Handelshuurwet. Op de datum waarop A. was opgeroepen, is zij niet verschenen, zodat de overeenkomst van minnelijke beëindiging niet bevestigd kon worden door beide partijen voor de vrederechter. Gelet op het bovenstaande heeft W. op 13 januari 2014 een verzoekschrift voor dit vredegerecht neergelegd dat ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat de handelshuurovereenkomst werd beëindigd op 28 november 2013.

2.In de regel is de minnelijke beëindiging van een overeenkomst geldig wanneer er wilsovereenstemming is tussen partijen over deze beëindiging en moeten er voor de geldigheid van deze overeenkomst geen bepaalde vormvereisten worden nageleefd (J. Dewez, “La résiliation du contrat par accord mutuel des parties”, TBBR 2010, 229 e.v.).

De minnelijke beëindiging van de handelshuurovereenkomst vormt evenwel een uitzondering op deze regel. Een overeenkomst van minnelijke beëindiging van een handelshuur moet, om geldig te zijn, vastgesteld worden bij authentieke akte of bij een verklaring voor de rechter afgelegd. In deze zaak kan de vrederechter slechts vaststellen dat een authentieke akte of een verklaring voor de rechter, waarin de minnelijke beëindiging van de handelshuur door partijen bevestigd wordt, ontbreekt.

Bij het ontbreken van een geldige overeenkomst van minnelijke beëindiging kan de vrederechter bijgevolg in huidige zaak niet voor recht zeggen dat de huur tussen partijen minnelijk werd beëindigd. A. verschijnt immers niet, zodat ze haar akkoord met de minnelijke beëindiging actueel voor de vrederechter niet kan bevestigen waardoor de vrederechter de minnelijke beëindiging evenmin kan bevestigen, daar zij desbetreffend geen volgehouden wilsovereenstemming over deze beëindiging kan vaststellen.

Dienaangaande kan worden verwezen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 17 februari 1995 (Arr.Cass. 1995, 189, RW 1994-95, 1396, conclusie advocaat-generaal G. Bresseleers) waarin werd beslist: “Overwegende dat het vonnis aldus beslist dat de huurovereenkomst tussen verweerster en eiseres sub 1 beëindigd is op grond van een wederzijds akkoord van partijen dat niet is vastgesteld bij authentieke akte of dat niet blijkt uit een voor de rechter afgelegde verklaring, mitsdien art. 3, vierde lid van de Handelshuurwet schendt”.

3.Het is wel zo dat de geldigheidsvoorwaarde van de aanwezigheid van authentieke akte of verklaring afgelegd voor de rechter enkel is voorgeschreven in het voordeel van de huurder, wat betekent dat de huurder kan afzien van het vervullen van deze geldigheidsvoorwaarde opdat de minnelijke beëindiging geldig zou zijn.

Afstand wordt evenwel niet vermoed. Er zijn verder geen elementen die het de vrederechter mogelijk maken vast te stellen dat de huurder afstand zou hebben gedaan van zijn recht om de overeenkomst tot minnelijke beëindiging te laten officialiseren bij authentieke akte of een verklaring afgelegd voor de rechter.

De vrederechter kan bijgevolg niet vaststellen dat er een geldige overeenkomst tot beëindiging van de handelshuur voorligt.

4.Gelet op wat voorafging is de vordering ongegrond.