Cass. 26 december 2014 - Het verder exploiteren van een handelszaak na instelling van een vordering tot ontbinding sluit de ontbinding niet uit


Uitspraak van: Hof van Cassatie

Datum van de uitspraak: 26/12/2014

Publicatie: Cass.be

Onderwerp: Het verder exploiteren van een handelszaak na instelling van een vordering tot ontbinding sluit de ontbinding niet uit


Samenvatting:

De rechter die uitspraak moet doen over de vordering tot ontbinding van een wederkerige overeenkomst, dient de omvang en de draagwijdte te onderzoeken van de door de partijen aangegane verbintenissen en, aan de hand van de feitelijke omstandigheden, te beoordelen of de aangevoerde wanprestatie voldoende ernstig is om de ontbinding uit te spreken (1). (1) Cass. 24 september 2009 , AR C.08.0346.N, AC 2009 , nr. 524.

Het verder exploiteren van een handelszaak na instelling van een vordering tot ontbinding sluit de ontbinding niet uit.


Arrest Nr. C.14.0168.N GRAND HOTEL GEORGES V cvba, met zetel te 8400 Oostende, Vlaanderenstraat 42, eiseres, tegen R. P., verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 18 december 2013.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

  1. Krachtens artikel 1184, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is de ontbindende voorwaarde in wederkerige contracten altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.De rechter die uitspraak moet doen over de vordering tot ontbinding van een wederkerige overeenkomst, dient de omvang en de draagwijdte te onderzoeken van de door de partijen aangegane verbintenissen en, aan de hand van de feitelijke omstandigheden, te beoordelen of de aangevoerde wanprestatie voldoende ernstig is om de ontbinding uit te spreken.

  2. Aan de vordering tot ontbinding gaat de ingebrekestelling van de schuldenaar vooraf. Deze ingebrekestelling kan gebeuren in de inleidende dagvaarding.

  3. De omstandigheid dat de schuldenaar na de dagvaarding de verbintenis alsnog uitvoert, sluit niet uit dat de rechter oordeelt dat de niet-nakoming in het ver-leden waarvoor de schuldenaar eerder in gebreke werd gesteld, van dien aard is dat zij de ontbinding van de overeenkomst wettigt.

  4. Uit het arrest blijkt dat:

  • de eiseres een handelshuis huurt van de verweerder;
  • de eiseres als huurder op 13 oktober 2011 werd aangemaand voor de achterstallige huurtermijnen van augustus, september en oktober 2011;
  • de verhuurder op 9 maart 2012 overging tot dagvaarding strekkende tot de ontbinding van de huurovereenkomst en de betaling van de achterstallige huurtermijnen voor de periode van december 2011 tot maart 2012 en een saldo voor de maanden oktober en november 2011;
  • de eiseres na de betekening van de dagvaarding en voor de inleidende terecht-zitting de achterstallige huurgelden betaalde;
  • de eiseres aanvoert dat de vordering tot ontbinding niet kan worden ingewilligd omdat zij door de betaling van de achterstallige huurgelden niet meer in verzuim is.
  1. De appelrechters die vaststellen dat op 9 maart 2012 gedurende vier opeenvolgende maanden geen huur werd betaald en ook voordien in oktober 2011 de eiseres diende aangemaand te worden tot betaling van de huurprijs en op grond hiervan oordelen dat "het aanhoudend niet betalen van de contractuele huurprijs, zonder voorafgaande verwittiging, verantwoording of duiding, manifest de ontbinding van de huur in het nadeel van [de eiseres] [rechtvaardigt]", verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer