Exploitatie


Principe

De wetgever heeft wat betreft de exploitatie van het gepachte goed de grootst mogelijkste exploitatievrijheid willen waarborgen. Zo zijn er in de Pachtwet onder meer nietigheden voorzien voor bepalingen in de pachtovereenkomst die de vrijheid zouden beperken wat betreft de wijze van bebouwing of beschikking van het gepachte goed.

De pachter heeft het recht om alle gebouwen op te richten, mits hij ze onderhoudt en er alle lasten van draagt. Hij dient eveneens alle werken, onverschillig of het nieuwe werken, verbeteringswerken, herstellingswerken of verbouwingswerken betreft, uit te voeren, die nuttig zijn voor de bewoonbaarheid van het gepachte goed of dienstig zijn voor de exploitatie van dat goed en die overeenkomen met de bestemming ervan.

De pachter zal het goed bij het einde van de pacht steeds in zijn oorspronkelijke toestand moeten herstellen en de eventueel aangerichte schade moeten vergoeden.

Op het einde van de pacht zal de pachter die de kosten van de gebouwen en werken heeft gedragen recht hebben op een vergoeding die gelijk is aan de waardevermeerdering welke het goed daardoor heeft verkregen.

Indien de gebouwen en werken zijn uitgevoerd ofwel met schriftelijke toestemming van de verpachter of, in geval van vruchtgebruik, met schriftelijke toestemming van de blote eigenaar en de vruchtgebruiker, ofwel met machtiging van de Vrederechter, mag de vergoeding niet lager zijn dan de door de pachter gedragen kosten, in zoverre deze niet zijn afgeschreven.

Zijn de gebouwen en werken uitgevoerd zonder toestemming van de verpachter dan zal de vergoeding niet hoger kunnen zijn dan wat de pachter de laatste 3 jaar aan pacht heeft betaald.

Neemt de pacht een einde op initiatief van de pachter, dan mag deze vergoeding niet hoger zijn dan hetgeen de pachter tijdens de vijf laatste jaren in totaal aan pacht heeft betaald.